| Kort antwoord: Er bestaat geen wettelijk vast minimum aantal leden voor een eerste interventieploeg (EIP). De Belgische wetgeving (Codex Boek III Titel 3, art. III.3-8) bepaalt dat de werkgever de grootte van de ploeg vastlegt op basis van een risicoanalyse. De enige harde eis: er moet op elk moment minstens één opgeleide persoon snel kunnen ingrijpen bij een beginnende brand. Hoeveel leden u concreet nodig heeft, hangt af van uw activiteiten, het aantal aanwezigen, het brandrisico en uw werkorganisatie. |
Veel werkgevers en preventieadviseurs zoeken naar een vast getal: “Hoeveel mensen moeten er in mijn brandploeg zitten?” Het eerlijke — en wettelijk correcte — antwoord is dat de wet géén tabel met aantallen oplegt. In plaats daarvan vraagt ze om een doordachte inschatting op maat van uw onderneming. In dit artikel leggen we uit hoe u die inschatting maakt, wie lid kan worden, wat de taken zijn en hoe de wet de opleiding regelt.
Wat is een eerste interventieploeg (EIP)?
Een eerste interventieploeg (EIP), in de wetgeving de interne brandbestrijdingsdienst genoemd, is een groep medewerkers die opgeleid is om bij een beginnende brand snel en correct op te treden. Ze blussen een beginnende brand, begeleiden de evacuatie, verwittigen de hulpdiensten en geven hen de nodige informatie bij aankomst.
De EIP is wettelijk verplicht voor elke werkgever met personeel in België, ongeacht de grootte van de onderneming. Dit volgt uit het KB van 28 maart 2014, intussen opgenomen in de Codex Boek III Titel 3. Ook een klein bedrijf moet dus een interventieploeg hebben — alleen ziet die er anders uit dan bij een groot bedrijf.
Is er een wettelijk minimum aantal EIP-leden?
Nee. De wet legt geen vast minimum aantal leden op. Dit is het belangrijkste — en meest misverstane — punt over de samenstelling van een interventieploeg.
Artikel III.3-8 van de Codex bepaalt dat de werkgever, op basis van de risicoanalyse, onder meer zelf vastlegt:
- het aantal werknemers dat deel uitmaakt van de dienst;
- de bekwaamheden die zij nodig hebben (volgens bijlage III.3-1);
- de opleidingen die nodig zijn om die bekwaamheden te verwerven;
- de verdeling van die werknemers zodat het geheel van de arbeidsplaatsen gedekt is;
- de nadere regels voor de uitvoering van hun taken.
De enige absolute ondergrens die de wetgever hanteert, is dat er steeds minstens één persoon aanwezig moet zijn die bij een begin van brand kan tussenkomen. Die eis geldt op elk moment — dus ook tijdens pauzes, nachtploegen, vakantieperiodes en weekendwerk.
|
Waarom geen vast getal? Omdat een vast getal nooit zou kloppen voor alle bedrijven. De wetgever kiest bewust voor een risicogebaseerde aanpak: zo kan de grootte van de ploeg worden afgestemd op de werkelijke brandrisico’s in uw onderneming. |
Hoe berekent u de grootte van uw EIP?
Hoewel er geen formule in de wet staat, zijn er duidelijke factoren waarmee u rekening moet houden. Samen vormen ze de basis van uw risicoanalyse.
|
Factor |
Vraag die u zich stelt |
|
Aard van de activiteiten |
Werkt u met ontvlambare stoffen, open vuur, hoge temperaturen of risicovolle processen? |
|
Aantal aanwezigen |
Hoeveel mensen kunnen er maximaal tegelijk aanwezig zijn (incl. bezoekers, klanten, leerlingen)? |
|
Specifiek brandrisico |
Wat zegt uw risicoanalyse over de waarschijnlijkheid en de impact van brand? |
|
Werkorganisatie |
Werkt u in shiften, ’s nachts, in het weekend? Elke bezetting heeft dekking nodig. |
|
Grootte en indeling |
Hoe groot zijn de gebouwen en terreinen? Meerdere verdiepingen of vestigingen? |
|
Externe hulpdiensten |
Hoe snel kan de brandweer ter plaatse zijn? |
Een praktische vuistregel — let op: dit is geen wettelijke norm, maar een hulpmiddel — is om te vertrekken vanuit de dekking per ploeg of per shift. Zorg dat in elke bezetting en in elke zone van uw bedrijf voldoende opgeleide leden aanwezig zijn, zodat bij afwezigheid (ziekte, verlof) de minimumdekking gegarandeerd blijft. In de praktijk betekent dit dat u doorgaans méér leden opleidt dan het strikte minimum, om altijd dekking te hebben.
|
Tip: betrek de leden van uw interventieploeg bij het opstellen van de risicoanalyse. De wet beveelt dit zelfs aan: zij kennen de werkvloer en verzamelen kennis door hun taken uit te voeren. |
Welke sectoren vereisen een grotere ploeg?
Naarmate het brandrisico en het aantal aanwezigen toeneemt, groeit ook de omvang van de interventieploeg. Bedrijven en instellingen met een verhoogd risicoprofiel hebben doorgaans een grotere en intensiever opgeleide ploeg nodig:
- Industrie en productie — werken met brandbare of explosieve stoffen, machines, hoge energiedichtheid (denk aan ATEX-omgevingen);
- Zorginstellingen en rusthuizen — veel aanwezigen die niet zelfstandig kunnen evacueren, waardoor de evacuatie veel mankracht vraagt;
- Scholen en kinderopvang — grote aantallen kinderen die begeleiding nodig hebben bij evacuatie;
- Horeca en evenementen — open vuur in keukens, hoge en wisselende bezetting;
- Logistiek en opslag — grote oppervlaktes, hoge stapeling, soms gevaarlijke goederen.
In dit soort omgevingen volstaat “één persoon die kan ingrijpen” duidelijk niet. De risicoanalyse zal hier vrijwel altijd leiden tot een ruimere ploeg, gespreid over de verschillende zones en shiften.
Wie mag lid zijn van de eerste interventieploeg?
In principe kan elke werknemer lid worden van de EIP, maar de keuze is niet vrijblijvend. Bij de samenstelling houdt u rekening met:
- Vrijwilligheid en motivatie — leden moeten de rol effectief willen en kunnen opnemen;
- Medische geschiktheid — de fysieke vereisten van bluswerk en evacuatie;
- Aanwezigheid en werkregime — spreid de leden over shiften en afdelingen, zodat er altijd dekking is;
- Spreiding over de werkvloer — verdeel de leden zo dat elke zone van het bedrijf gedekt is.
Kies dus niet zomaar “de eerste de beste vrijwilliger”. Een goed samengestelde ploeg houdt rekening met wie er wanneer en wáár aanwezig is.
Wat zijn de taken van een EIP-lid?
De taken van een lid van de brandbestrijdingsdienst draaien rond drie kerngebieden:
- Preventief meewerken — risicovolle situaties tijdig herkennen en melden, en meewerken aan de risicoanalyse;
- Een beginnende brand bestrijden — correct en veilig optreden met de juiste blusmiddelen;
- De evacuatie ondersteunen — aanwezigen veilig naar buiten begeleiden naar de verzamelplaats;
- De hulpdiensten ontvangen — de brandweer opvangen en de nodige informatie doorgeven (interventiedossier, plannen, risico’s).
Om deze taken te kunnen uitvoeren, moeten de leden een gerichte opleiding volgen — met zowel een theoretisch als een praktisch luik.
Criteria bijlage III.3-1: de opleiding van de leden
De vaardigheden en opleidingen van de leden van de brandbestrijdingsdienst zijn vastgelegd in bijlage III.3-1 van de Codex. Deze bijlage beschrijft de minimale bekwaamheden die de leden moeten verwerven.
|
Opleidingscomponent |
Inhoud |
Voor wie? |
|
Interventie bij brand |
Theorie + praktijk, met oefeningen in het gebruik van blusmiddelen volgens interventiescenario’s |
Alle leden |
|
Evacuatie van aanwezigen |
Theorie + praktische evacuatieoefeningen |
Alle leden |
|
Leiding geven |
Bijkomende leidinggevende en organisatorische vaardigheden |
Ploegleider |
De wet bepaalt verder dat bijscholing op regelmatige wijze moet worden georganiseerd. Er staat geen exact interval in de Codex, maar de sector hanteert in de praktijk doorgaans een cyclus van drie jaar. Wijzigen de risico’s in uw bedrijf, dan past u de opleiding hoe dan ook tussentijds aan.
|
Meer weten? Lees onze gids over de opleiding eerste interventieploeg (EIP) en over bijscholing van uw interventieploeg. |
EIP versus brandwacht: wat is het verschil?
De termen worden vaak door elkaar gebruikt, maar ze dekken niet helemaal dezelfde lading.
|
|
Eerste interventieploeg (EIP) |
Brandwacht |
|
Wat? |
Permanente interne ploeg, opgeleid om bij brand op te treden en de evacuatie te ondersteunen |
Tijdelijke bewaking, specifiek toezicht op brandgevaar |
|
Wanneer? |
Structureel, als vast onderdeel van de brandpreventie-organisatie |
Tijdens en na werken met verhoogd brandrisico (bv. lassen, slijpen) of bij uitval van detectiesystemen |
|
Duur |
Permanent |
Tijdelijk, gekoppeld aan een specifieke situatie |
|
Wettelijke basis |
Verplichte brandbestrijdingsdienst (Codex Boek III Titel 3) |
Vaak gekoppeld aan de vuurvergunning |
Kort samengevat: de EIP is uw vaste interventieploeg; een brandwacht is een tijdelijke maatregel die u inzet wanneer er kortstondig een verhoogd brandrisico is. Beide kunnen naast elkaar bestaan.
Conclusie
De grootte van uw eerste interventieploeg is geen vast getal, maar het resultaat van uw risicoanalyse. Vertrek vanuit de wettelijke ondergrens — altijd minstens één opgeleide persoon die kan ingrijpen — en bouw van daaruit op tot een ploeg die elke shift, elke zone en elk risico in uw bedrijf afdekt. Voor risicovolle sectoren betekent dat in de praktijk een ruimere, goed gespreide ploeg.
Het sluitstuk is en blijft opleiding: een interventieploeg is pas in regel als de leden de juiste competenties hebben verworven én bijhouden.
Wilt u uw interventieploeg opleiden of bijscholen? Bekijk onze opleiding eerste interventieploeg of neem contact op voor een opleiding afgestemd op uw risicoanalyse.
Veelgestelde vragen
Wat is een eerste interventieploeg (EIP)?
Een eerste interventieploeg, in de wet de interne brandbestrijdingsdienst genoemd, is een groep opgeleide medewerkers die bij een beginnende brand snel optreedt: een beginnende brand blussen, de evacuatie begeleiden en de hulpdiensten verwittigen en informeren. De EIP is verplicht voor elke werkgever met personeel.
Hoeveel personen moet een eerste interventieploeg tellen?
Er is geen wettelijk vast minimum aantal leden. De werkgever bepaalt de grootte op basis van een risicoanalyse, rekening houdend met de aard van de activiteiten, het aantal aanwezigen, het brandrisico en de werkorganisatie. De enige harde eis is dat er op elk moment minstens één opgeleide persoon snel kan ingrijpen bij brand.
Wie mag lid zijn van de eerste interventieploeg?
In principe elke werknemer, maar de keuze gebeurt op basis van vrijwilligheid, medische geschiktheid, werkregime en spreiding over de werkvloer. Zo is er in elke shift en elke zone steeds voldoende dekking.
Wat zijn de taken van een lid van de eerste interventieploeg?
Een EIP-lid herkent en meldt risico’s, bestrijdt een beginnende brand met de juiste blusmiddelen, ondersteunt de evacuatie van aanwezigen en vangt de hulpdiensten op met de nodige informatie. Daarvoor volgt het lid een opleiding met een theoretisch en een praktisch luik.
Wat staat er in bijlage III.3-1 van de Codex Welzijn?
Bijlage III.3-1 legt de minimale vaardigheden en de opleiding van de leden van de brandbestrijdingsdienst vast. Het gaat om twee opleidingscomponenten — interventie bij brand en evacuatie van aanwezigen, telkens met theorie en praktijk — plus bijkomende competenties voor de ploegleider. Bijscholing moet op regelmatige wijze worden georganiseerd.
Wat is het verschil tussen een eerste interventieploeg en een brandwacht?
De eerste interventieploeg is uw permanente, structureel verplichte interne ploeg die bij brand optreedt en de evacuatie ondersteunt. Een brandwacht is een tijdelijke maatregel: specifiek toezicht op brandgevaar tijdens en na risicovolle werken (zoals lassen of slijpen) of bij uitval van detectiesystemen, vaak gekoppeld aan een vuurvergunning.
Bronnen: Codex over het welzijn op het werk, Boek III, Titel 3 (art. III.3-8) en bijlage III.3-1; KB van 28 maart 2014 betreffende de brandpreventie op de arbeidsplaatsen; FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg (werk.belgie.be).